Denk aan vervuiling en meteen zie je afvalbergen voor je. Walmende rookpluimen. Lekkende olievaten. Zelfs bij microplastics die niet met het oog waarneembaar zijn, heb je direct een beeld. Maar er is ook een bron van vervuiling in de blinde hoek, veel dichter bij huis: data. Gelukkig wordt ook op het gebied van data al hard gewerkt aan oplossingen om te verduurzamen.

‘Mijn telefoon is nu al leeg. En ik heb er niks bijzonders mee gedaan!’ Herkenbaar? Vaak komt dat door apps die ongemerkt op de achtergrond draaien. Het levende bewijs dat dataverkeer energie kost. Dat dataverkeer stroom verbruikt merk je verder nauwelijks. En toch zorgt een e-mail van 1MB tijdens zijn totale levenscyclus voor eenzelfde CO2-uitstoot als een oude lamp die 25 minuten brandt. En is met de 2,7 miljard views van viral video Gangnam Style evenveel stroom verbruikt als de jaarproductie van een kleine energiecentrale. Alleen al het kijken van online video’s veroorzaakt minstens 1 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Dat is evenveel CO2 als Spanje in een jaar produceert. 

Een e-mail van 1MB zorgt tijdens zijn totale levenscyclus voor eenzelfde CO2-uitstoot als een oude lamp die 25 minuten brandt

Meer stroomverbuik door data

Het wereldwijde stroomverbruik door data zal alleen nog maar verder stijgen: van drie procent nu naar vijf procent in 2030. Dat is niet per definitie slecht nieuws. Want doordat steeds meer digitaal wordt, kunnen we ook steeds meer duurzaam doen. Voordat er e-mail was, werd er immers heel wat post over wegen en door de lucht vervoerd. En digitale ontwikkelingen als e-health, smartcities en deelplatformen zorgen dat je relatief minder spullen hoeft te kopen en de auto minder vaak nodig is.

De ICT-branche anticipeert al jaren op de groeiende vraag naar data. Roel Croes van Stichting GreenICT legt uit dat innovaties en kostenbesparing in de ICT-branche vaak hand in hand gaan met verduurzaming. Een voorbeeld: doordat computers steeds efficiënter worden, heb je minder computers en energie nodig voor hetzelfde resultaat. En door het meer en meer toepassen van glasvezelkabels, worden verbindingen steeds sneller en energie-efficiënter. 

Datacenters zijn een bron van besparing

In de keten van dataverkeer vormen datacenters een energie-intensief station. Datacenters faciliteren hun klanten – (IT-)bedrijven, ziekenhuizen, universiteiten – met ruimte, beveiliging, koeling en energie. Daarbij is de hardware in die datacenters over het algemeen van klanten. Grote techbedrijven zoals Google en Microsoft en ook de overheid hebben vaak hun eigen datacenters. In datacenters zijn de temperatuuromstandigheden stabiel, de verbindingen sterk, de beveiliging optimaal en de apparatuur staat zo geschakeld dat ze van elkaars capaciteit profiteren.

Datacenters hebben energie nodig voor koeling, transport, verwerking en opslag van data. Koeling is nodig voor de warmte die alle draaiende apparatuur creëert. Om te voorkomen dat computers beschadigen, moet de lucht voortdurend gekoeld en droog gemaakt worden. Die airconditioning zelf zorgt ook weer voor warmte die moet worden afgevoerd.

In de afgelopen jaren hebben datacenters al veel slagen gemaakt door oude koelinstallaties te vervangen door energiezuinige, innovatieve koelingsmethoden. En voor de warmte die overblijft, is inmiddels een uitstekende bestemming voorhanden: hele woonwijken kunnen ervan profiteren door er het water in warmtenetten mee te verwarmen. Daarnaast zijn veel datacenters uitgerust met zonnepanelen en maakt tachtig procent gebruik van groene stroom. Tevens is IT apparatuur ook steeds energie-efficiënter geworden.

Dankzij dit soort maatregelen bleef het energieverbruik lange tijd stabiel terwijl het dataverkeer groeide. De verwachting is dat dat niet meer lukt door de exponentieel groeiende vraag naar data. En dus zijn er nieuwe manieren nodig om nog energiezuiniger te worden, bijvoorbeeld door slimmer om te gaan met data.   

De dataservers in datacenters kunnen nog veel energievriendelijker draaien dan nu. Maar daarvoor moeten verschillende partijen samenwerken die dat normaliter niet snel doen.

LEAP (Lower Energy Acceleration Program)

Een programma geïnitieerd door de Amsterdam Economic Board moet daarbij helpen: het Lower Energy Acceleration Program (LEAP). Dat programma richt zijn peilen op de datacenters in de regio Amsterdam.

Nederland telt 200 datacenters. Die nemen ruim drie procent van het Nederlandse elektriciteitsverbruik voor hun rekening. Dat is drie keer zoveel als de Nederlandse Spoorwegen verbruiken. 72 Procent van onze datacenters bevinden zich rond Amsterdam. Dat komt doordat zich daar het einde van een dikke internetkabel vanuit de Verenigde Staten bevindt. Dat zorgt voor een snelle internetverbinding, van waaruit weer veel andere netwerken vertakken.

‘De dataservers in datacenters kunnen nog veel energievriendelijker draaien dan nu’, meent Marjolein Bot, één van de initiatiefnemers. ‘Maar daarvoor moeten verschillende partijen samenwerken die dat normaliter niet snel doen.’ Het programma zet daarom vertegenwoordigers uit de dataketen aan één tafel, zoals datacenters en hun klanten, providers, computerfabrikanten en overheden. Onder de twintig deelnemende partijen bevinden zich Booking.com, Interxion, Dell, KPN, de gemeente Amsterdam en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

We zoeken naar technologische innovaties die het energieverbruik terugdringen. Maar we kijken ook of we hardware zuiniger kunnen maken zonder technologische investeringen.

Vertrouwen op de energiebesparende modus

‘We zoeken naar technologische innovaties die het energieverbruik terugdringen. Maar we kijken ook of we hardware zuiniger kunnen maken zonder technologische investeringen.’, vertelt Bot. Ze doelt hierbij op een energiebesparende modus waar servers standaard mee worden uitgerust, maar die vaak staat uitgeschakeld. Hierdoor draaien veel servers in datacenters op volle toeren, ook als ze niet nodig zijn. ‘Alsof je een auto de hele nacht stationair laat draaien, zodat hij ’s ochtends sneller start’, legt Bot uit. Het vermoeden bestaat dat de servers tot veertig procent zuiniger opereren als de eco-stand wel wordt benut.

Dat de functie zo weinig wordt gebruikt, heeft verschillende oorzaken. Bot: `IT-ers weten niet dat die stand erop zit, of gebruiken hem niet uit angst dat de performance verslechtert.’ Een pilot moet het risico van de energiebesparende stand ontkrachten dan wel bevestigen, en meten of het werkelijk zoveel energie bespaart. Sinds december 2019 staan de servers van de LEAP-deelnemers regelmatig op de gewantrouwde energiestand. Bot heeft tot nog toe geen problemen vernomen.

In maart 2020 worden de eerste conclusies getrokken. Als de resultaten positief zijn, kan Bot niet wachten om de bewijzen de wereld in te slingeren; ook het buitenland kijkt vol verwachting mee. ‘Als de performance aantoonbaar stabiel blijft, zullen fabrikanten en datacenters hun klanten actief stimuleren om de IT-apparatuur in de energiebesparende stand te zetten.’

Neem afscheid van apps en digitale nieuwsbrieven die je toch niet benut.

Dataminderen

Datacenters en hardwarefabrikanten zijn dus bezig om de consequenties van de tomeloze toename van data te beteugelen. Maar wat kunnen bedrijven en consumenten zelf doen? ‘Gewoon wat bewuster omgaan met data.’ zegt Croes. ‘Neem afscheid van apps en digitale nieuwsbrieven die je toch niet benut. Stuur grote bestanden niet nodeloos rond. En misschien kun je ook wat vaker met een collega praten in plaats van mailen. Dat de techniek er is, betekent niet per se dat die ook voortdurend gebruikt moet worden.’

Een andere pijnloze besparing: zet je telefoon ’s nachts op de vliegtuigstand. ‘Anders ligt er gewoon een zender naast je.’ En helemaal slim is het om in huis een vaste internetverbinding te nemen. ‘WIFI moet ongericht door allerlei muren en ramen heendringen. Qua energieverbruik een enorm contrast met een kabel: een soort snelweg waar data bijna moeiteloos en gericht doorheen schiet.’ Maar de allerbeste oplossing is volgens Croes om de boel uit te zetten. ‘Niet op stand-by. Gewoon, hup, die stekker eruit als je het apparaat niet gebruikt.’