Slimme weerstations om oogsten te beschermen, schone pompen die water naar hoger gelegen akkers leiden en lokaal geproduceerde en biologisch afbreekbare luiers voor gehandicapte kinderen die niet zindelijk kunnen worden. Stuk voor stuk wetenschappelijke innovaties die klein beginnen en vervolgens wereldwijd een grote maatschappelijke impact hebben. Ze komen uit de koker van de TU Delft, die met concrete oplossingen wil bijdragen aan de realisatie van de VN-Werelddoelen. Een unieke aanpak, waarbij de universiteit de doelen invlecht in de eigen strategie én de (wetenschappelijke) praktijk. En dat in nauwe samenwerking met ondernemers en lokale partijen. Hoe de Werelddoelen de universiteit helpen en andersom? We vragen het Jennifer Kockx, programmamanager en initiatiefnemer van TU Delft | Global Initiative.

De eerste ideeën om binnen de universiteit invulling te geven aan wetenschap met internationale sociale impact, ontstonden nog in de tijd van de Millenniumdoelen. Het trok niet alleen de aandacht van het bestuur, ook verschillende wetenschappers zagen er hele relevante onderzoekskansen in. ‘Eigenlijk zijn we in 2013 voor het eerst gestart om dit uit te werken. Het idee ontstond in een cursus voor ondersteuners (staf), waarin we als eindopdracht een eigen project mochten starten,’ vertelt Jennifer Kockx. ‘Ik heb zelf twee jaar in Afrika gewoond en vroeg me af: kunnen we vanuit de universiteit niet meer en meer gericht doen aan Global Development? We zijn toen een pilot gestart en bezochten ter inspiratie met vijf collega’s Aalto University in Helsinki. Daar deden ze vanuit hun programma Aalto Global Impact veel op dat gebied. Na afloop van onze eigen pilot was het voor ons duidelijk dat we er graag mee verder wilden.’ Dat die behoefte er niet alleen vanuit de ondersteunende functies was, werd meteen duidelijk uit de gesprekken die Kockx en haar collega’s hadden met de Delftse onderzoekers en het College van Bestuur.

Geen liefdadigheid maar wetenschappelijke interesse

‘Samen met Cees Dekker, hoogleraar moleculaire biofysica, ben ik het idee verder gaan uitwerken. De eerste stap was in gesprek gaan met de verschillende hoogleraren. Je hebt grofweg drie richtingen bij onze universiteit: science (fundamentele doorbraakwetenschap), engineering (technologische hoogstandjes) en design (de brug tussen technologie en de gebruiker). Ik dacht: als er vanuit elke pijler een hoogleraar is die enthousiast is, dan kunnen we terug naar het College van Bestuur om het vorm te geven,’ legt Kockx uit. Dat lukte.  Het was wel cruciaal om iedereen te laten zien dat Global Development géén ontwikkelingswerk of liefdadigheid is, wat vaak gedacht wordt, maar dat het echt gaat om interessante materie voor onderzoekers. ‘Onderzoek naar klimaatverandering in Afrika en Zuidoost-Azië, of bijvoorbeeld echt iets doen voor de agricultuur in Afrika. Juist in landen in ontwikkeling kun je veel grotere stappen zetten. De uitdagingen die wereldwijd interessant zijn, zijn hier het meest urgent en oplosbaar. Vaak zijn dat veel grotere uitdagingen dan we in Nederland hebben.’ Ook ontstaat er voor TU Delft een nieuwe markt voor onderzoeksopdrachten. De universiteit richt zich nog nauwelijks op Afrika, terwijl daar volgens Kockx heel veel kansen liggen. ‘Universiteiten zijn er in opkomst, de community is enthousiast en ondernemend, maar er wordt nog nauwelijks geïnvesteerd in onderzoek. Als je de handen ineenslaat met bedrijven en universiteiten daar, dan kun je echt stappen zetten.’ 

Het programma is specifiek gericht op concrete oplossingen voor wereldwijde problemen.
Kraamkamers van bedrijvigheid

Met het plan, het enthousiasme van verschillende hoogleraren en een lijst met onderzoeken en onderzoekers die passen bij Global Development, besloot de universiteit om een specifiek programma in te richten. Deze zogenaamde ‘kraamkamer van nieuwe bedrijvigheid’ werd TU Delft |Global Initiative genoemd. Met aandacht voor interne communicatie, financiering en het samenbrengen van de verschillende (lokale) partners binnen en buiten de universiteit. Er wordt bewust aansluiting gezocht bij de inmiddels vastgelegde VN-Werelddoelen (Sustainable Development Goals). Die goals helpen volgens Kockx om van elkaar te begrijpen waar je aan werkt. ‘Het is een soort common language. En dat helpt in de samenwerking tussen bijvoorbeeld een universiteit en een overheid. Je hebt een gezamenlijke stip op de horizon en een raamwerk om zaken logisch samen te brengen.’

TU Delft benoemt in het initiatief vijf doelen waar zij echt een bijdrage aan willen leveren: een einde aan honger, gezondheidszorg voor iedereen, schoon drinkwater & sanitair, leefbare steden en samenwerkingsverbanden. De projecten die ontstaan moeten voor concrete oplossingen zorgen door wetenschappelijk onderzoek te doen en met lokaal toepasbare innovatie te komen. Kockx: ‘Het programma is specifiek gericht op concrete oplossingen voor wereldwijde problemen: de projecten gaan dus uitdrukkelijk verder dan enkel de wetenschap.’

Het beste van drie werelden

Om tot deze oplossingen te komen, legt het programma sterk de nadruk op de People-kant van People, Planet, Profit. ‘Voor Planet en Profit geldt dat we daar al heel lang actief in zijn. Door de verbondenheid aan het bedrijfsleven bijvoorbeeld, maar ook door specifieke onderzoeksthema’s als klimaat en energie,’ legt Kockx uit. ‘Het Global Initiative richt zich veel meer op de menskant en de impact die we lokaal hebben en voegt echt iets toe aan de bestaande strategie van de universiteit. Het bouwt ook een belangrijke brug tussen alfa-, bèta- en gammawetenschappen en brengt zo mensen en disciplines samen die elkaar niet altijd vanzelf opzoeken. Zeker voor maatschappelijke vraagstukken is dat belangrijk.’ Het levert juist de meest impactvolle oplossingen op, aldus Kockx. ‘Je ziet bijvoorbeeld dat alfa en gamma vaak meer gericht zijn op studies en bèta meer pragmatisch is, maar vaak weer minder oog heeft voor de menskant.’ 

Het Global Initiative bouwt een brug tussen alfa-, bèta- en gammawetenschappen en brengt zo mensen en disciplines samen die elkaar niet altijd vanzelf opzoeken.
Een van de uitvindingen: de Barsha-waterpomp

Op het speciaal ingerichte platform zijn 27 verhalen te lezen achter de verschillende projecten. Een van de in het oog springende projecten is de waterpomp van Lennart Budelman, Pratap Thapa en Fred Henny. Pratap Thapa wilde graag een oplossing bedenken voor een probleem dat hem bijbleef uit zijn geboortedorp in het bergachtige Nepal. Voor de landbouwgronden is irrigatie nodig en veel van deze gronden zijn hoog gelegen. Het water moet dan uit de rivier naar boven gebracht of gepompt worden. Dat gebeurt door middel van zwaar handwerk óf met de hulp van een dure en vervuilende dieselpomp. Hoe kun je voor lokale boeren die irrigatie leefbaarder, goedkoper en duurzamer maken? De – toen nog studenten – ontwikkelden een pomp die gebruikmaakt van de energie uit de rivier en het water naar flinke hoogtes kan pompen. De pomp wordt in Europa als bouwpakket gemaakt met onderdelen die gemakkelijk ter plaatse verkrijgbaar zijn. Inmiddels draaien er diverse pilotprojecten wereldwijd. Nu kun je de pomp eigenlijk overal ter wereld plaatsen in rivieren waar het water sneller dan een halve meter per seconde stroomt. Ze hebben gesprekken in Indonesië, maar ook in Spanje. Vanuit hun start-up aQysta proberen ze de volgende stap te zetten. Hoe kun je de techniek verbeteren, maar ook: hoe kun je de pomp voor alle boeren (financieel) toegankelijk en rendabel maken? Het systeem werkt, en nu wordt volop gewerkt aan het businessmodel. 

Op tudelft.nl/global kun je lezen over andere oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van het TU Delft | Global Initiative. 



aQysta's Barsha Pump - Improving income with hydropowered irrigation De Barsha-waterpomp die irrigatie makkelijker, goedkoper en duurzamer heeft gemaakt.