Energietransitie: een wat wollige, ingewikkelde term die vooral moet aangeven dat we in Nederland overgaan van fossiele naar duurzame energie. Naar een energiesysteem zónder CO2-uitstoot. De naam geeft ook aan dat er nogal wat werk aan de winkel is om van 5,8% naar volledig te gaan in uiterlijk 2050. Maar wat houdt die transitie eigenlijk echt in? Moeten we de Noordzee volbouwen met windmolens en vooral heel veel energie besparen? En waarom zijn ondernemers in dit verhaal zo belangrijk? Met Pallas Agterberg van Alliander proberen we door de bomen het bos weer te zien. Een gesprek over polderen, de circulaire economie en het belang van innovatieve ondernemers.

Pallas Agterberg, verantwoordelijk voor de strategie bij netbeheerder Alliander, houdt zich bezig met de vraag hoe de toekomst van onze energievoorziening eruitziet. En dat is geen kwestie van een andere energiebron. ‘Zet de kolencentrales uit en windmolens aan. Je plaatst veel windmolens op zee en maakt gas dat niet fossiel is. En dan ben je klaar. Dat wordt vaak gedacht. Maar dat kan gewoon niet. Met de huidige energievraag en de extra vraag die er in de toekomst bijkomt voor mobiliteit en de verwarming van huizen, hebben we veel te veel stroom nodig. Je zou de hele Noordzee vol moeten zetten met windmolens. Bovendien wordt het hartstikke duur. De energietransitie gaat over veel meer. Oók over hoe we met grondstoffen, milieu en de sociale kant omgaan. In combinatie met de technologische mogelijkheden van nu, zijn er zoveel kansen.’ 

Het hoeft niet meer te kosten dan we nu kwijt zijn. Het levert juist iets op: meer wooncomfort, werkgelegenheid, onafhankelijkheid.
Twee soorten transities

Agterberg schetst het waarom van de energietransitie nog eens. ‘We gebruiken zoveel grondstoffen die niet meer ‘aangroeien’, dat we in augustus al door onze symbolische jaarvoorraad heen zijn. De aarde is ‘op’. Het gaat natuurlijk uiteindelijk om klimaatverandering, grondstofschaarste, teveel en te weinig water. Maar dat is zo groots, wat kun je daaraan doen? Je kunt het ook dichterbij halen: ook het Nederlandse gas is bijna op. Wat betekent dat concreet voor bijvoorbeeld de energievoorziening van de gebouwen in Nederland? En welke mogelijkheden hebben we dan?’ 

‘Eigenlijk kun je spreken over twee energietransities: de eerste is die van de gebouwde omgeving en mobiliteit. De andere transitie die van industrie en transport. Bij de transitie van de gebouwde omgeving en mobiliteit gaat het om één soort energievraag. Het gaat om hoe je woont, een wijk inricht, mobiliteit regelt. Kijken we naar de woningen dan betekent het dat we álle woningen moeten verduurzamen. Dat gaat dus niet alleen over energiebesparing, maar ook over het aanpassen zodat je minder nodig hebt en het (deels) zelf opwekt. Per type woning en per wijk kunnen de oplossingen verschillen. Je kunt bijvoorbeeld ook denken aan buurtnetten van energie,’ aldus Agterberg. ‘Dit lijkt duur, maar als we eenmaal op stoom komen, hoeft het niet meer te kosten dan we nu kwijt zijn. Het levert juist iets op: meer wooncomfort, werkgelegenheid, onafhankelijkheid.’

Wijk voor wijk

Agterberg heeft een duidelijk beeld van hoe we er komen en wijst op de gestelde deadline van 2050. In het Klimaatakkoord wordt gesproken van een vermindering van de CO2-uitstoot in 2050 met 80 tot 95% ten opzichte van 1990. ‘We hebben met z’n allen afgesproken: geen fossiele brandstoffen meer na 2050. Vertaald naar woningen in Nederland: in 2050 willen we geen aardgas meer in onze huizen, heeft de minister van Economische Zaken aangekondigd. Ook steden als Amsterdam en Utrecht zeggen dat. Heb je dan geen andere oplossing voor warmte, dan wordt zo’n huis onverkoopbaar of onverhuurbaar,’ stelt ze. ‘Als je dit in 2050 voor elkaar wilt hebben, kun je natuurlijk niet in 2049 beginnen. Gelukkig is de technologie er en weten we hoe je te werk kunt gaan. Ook zijn er meerdere varianten mogelijk als het gaat om duurzame energie, van warmtenetten tot soms zelfs biogas.’ 

Het zou volgens Agterberg helpen als iedereen die betrokken is, weet waar hij aan toe is. ‘Als je specifiek kijkt naar gas, dan moet je bekijken of in een bepaalde wijk of gemeente de energienetten versleten zijn of dat ze nog even meegaan. En je moet inzicht hebben in de onderhoudsprogramma’s van huurwoningen. Zo kun je een planning maken en per wijk bekijken wanneer je van het gas af gaat. Daarmee kun je je voorbereiden, tot oplossingen komen en goedkopere oplossingen zoeken. Als je weet dat een wijk in 2027 aan de beurt is, dan moet je dus gaan kijken wat je moet doen. En als gemeentes, woningcorporaties, bewoners en andere betrokken partijen dat samen doen, is het ook goedkoper. Dit is het eerste gedeelte van de energietransitie.’ 

Bedrijven die geen manier hebben gevonden om in een CO2-vrije wereld te ondernemen, doen op een gegeven moment niet meer mee.
2050 als sluitingsdatum voor bedrijven

Voor bedrijven, vooral als het gaat om industrie en transport, gaat volgens Agterberg ongeveer hetzelfde gebeuren. Wie niet meegaat, kan volgens haar 2050 als sluitingsdatum noteren. ‘Bedrijven die geen manier hebben gevonden om in een CO2-vrije wereld te ondernemen, doen op een gegeven moment niet meer mee. 2050 is dan bij wijze van spreken de sluitingsdatum van zo’n bedrijf. Als je dat niet wilt, moet je al veel eerder een plan maken,’ aldus Agterberg. ‘Ik verwacht dat de meeste bedrijven begin jaren twintig zo’n plan hebben, waarin staat hoe ze voortaan omgaan met grondstoffen, energie en andere thema’s. En hoe ze dat op een concurrerende manier doen. Veel multinationals zitten al aardig op deze lijn en ik verwacht dat middelgrote en kleine bedrijven gaan volgen.’ 

Failliet als je niet meedoet

De energietransitie mogen we wat Agterberg betreft niet los zien van bijvoorbeeld de ontwikkeling naar een circulaire economie. ‘Als je weet dat je failliet gaat als je niet meedoet, ga je op zoek naar een andere manier om met je productieproces en met grondstoffen om te gaan. Het komt erop neer dat je anders naar innovatie en samenwerking kijkt. Welke mogelijkheden zijn er, hoe kunnen we die samenbrengen en daarmee goedkoper maken. Ook horen hier nieuwe, circulaire oplossingen bij. Want de huidige lineaire economie is eigenlijk de oorzaak van het probleem.’ 

Polderen weer opfrissen

‘Als je op zoek gaat naar circulaire vormen, zoek je ook naar manieren van samenwerken en andere partners,’ aldus Agterberg. Juist door de andere samenwerkingsverbanden krijg je die businesscase rond. ‘Polderen gaat het verschil maken of je wint of verliest. Het is echt met elkaar de samenwerking opzoeken. Dat is goed nieuws, want dat kunnen we in Nederland. Misschien moeten we het even afpoetsen, maar daar zit dus precies onze kans.’ 

Het kan niet anders dan dat het goedkoper is dan hoe we het nu doen. Hier zit voor het MKB ook de kans om nieuwe ideeën te ontwikkelen.
Slimme industrie

Als voorbeeld noemt Pallas Agterberg Smart Industry. Oftewel: hoe integreren we informatietechnologie in de industrie. ‘Dat je ook kijkt naar hoe je niet alles opnieuw hoeft te maken, maar kunt hergebruiken. Dus hoe verwerk je retourstromen in je productieprocessen? Hoe creëer je andere waardeketens? Juist in die combinatie met IT kunnen we het verschil gaan maken. De innovatie daarvoor moet komen van middelgrote ondernemingen. Die zitten daar middenin.’

‘Kijk naar de voedselproductie. Nu produceren we als klein land bizar veel voedsel. We doen dat gelukkig met de minste belasting van de natuur wereldwijd gezien. Maar, wat we ook doen is massaal kassen bij elkaar zetten en het voedsel dan transporteren. Met behulp van informatietechnologie kun je zorgen je overal ter wereld een komkommer lokaal kunt laten groeien. Dan maak je ter plaatse een voedselproducerend gebied. Als je lokaal dan ook bedrijven samen zet die kunnen voorzien in elkaars behoefte aan warmte of afkoeling, dan kun je met een fractie van de energie ter plaatse alles produceren wat nodig is. Het kan niet anders dan dat het goedkoper is dan hoe we het nu doen. Hier zit voor het MKB ook de kans om nieuwe ideeën te ontwikkelen.’ 

Zo goed dat het gênant is

‘Als we dit op een goede manier doen, dan is de insteek van Nederland niet dat we onze CO2-uitstoot oplossen in 2050 of onze gaskraan afsluiten, maar dat we oplossingen aanreiken waar de hele wereld wat mee kan. Ik voorzie dat we zo’n exporterend land zijn in de toekomst, dat het gênant wordt. Omdat we té goed worden,’ meent Agterberg. ‘Dat is een geweldige uitdaging. En dat komt niet alleen door het polderen, maar ook doordat we een hele goede kennisinfrastructuur hebben. Op vrijwel alle terreinen en op relatief korte afstand van elkaar. Als we die kennis gaan verbinden, kunnen we het verschil maken. Dat wat je voor een energietransitie nodig hebt, hebben we in huis in Nederland.’